Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
71. Deze zinnen, in gepast verband, slaan in eene
iiaauwe betrekking tot elkander en zijn van elkan-
der onafhankelijk of aj hankelijk,
72. Onafhankelijk zijn alle verbondene zinnen,
die ieder op zich zelf verstaanbaar en daarom hoofd-
zinnen genoemd worden.
73. Afhankelijk zijn zulke zinnen, die van den
hoofdzin afhangen en zonder dien onverstaanbaar
zijn, of wel zulke zinnen, die verstaanbaar zijn,
maar geene betrekking hebben op den hoofdzin; men
noemt die zinnen bijzinnen.
74. De meeste zamengestelde volzinnen hebben
twee voorname zinnen of deelen, waarvan het eene
het voorzindeel en het andere het nazindeel genoemd
wordt.
75. De nazindeelen zijn tweederlei: volstrekt en
betrekkelijk.
70. Een volstrekt nazindeel is datgene, waarbij het
voorzindeel onvolkomen blijft, wanneer het nazin-
deel wegvalt; b. v. koude onze deugd reeds hier ge-
heel haar doel bereiken^ zoo zoude de leer der on-
sterfelijkheid een groot deel van hare kracht verliezen,
77. Een betrekkelijk nazindeel is datgene, waar-
bij het voorzindeel op zich zelve bestaan en begre-
pen kan worden, b. v. dikwijls ergeren zich de
menschen over den hoogmoed van anderen; dewijl zij
zeiven hoogmoedig zijn.
78. Voor men de behandeling der zinnen met goed
gevolg kan voortzetten, dienen de voegwoorden goed
gekend te worden, naardien zij op de verbinding of
zamenvoeging der zinnen een grooten invloed hebben.
ld. De kunde der plaatsing of opvolging der woor-
den van een zin, alsmede van de zinnen zeiven^
wordt Topik (leer der plaatsing) genoemd.
80. De vorming en verbinding van grootere of za-
mengestelde zinnen tot een geheel, als een deel der
rede, wordt de periodiek genoemd (kennis der pe-
riode.)
81. Periode, in de taalkunde, is in het algemeen ^