Boekgegevens
Titel: Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Auteur: Boeser, A.L.
Uitgave: Amsterdam: A. Hoogenboom, 1899
15e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 57 : 15e dr. (3e verz.)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204211
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
B. 800 gl. en C. 1000 gl. in. A. ontvangt 4 gl. minder dan
V.j deel van de winst, B. 4V2 gl. meer dan V4 en C. 't
'Vu deel. Als men nu nog weet, dat A. zijn geld 2 maanden
korter in den handel heeft gehad dan B.; vraagt men naar
den tijd, dien ieder aan den handel heeft deelgenomen.
165. Iemand ontving op interest 4000 gl. en 400 gou-
den Willems, tegen 4''/„ rente 'sjaars. Na anderhalf jaar
betaalde hij voor kapitaal en interest terug 7984 guldens
en 40 gouden Willems. Bereken hieruit, tegen hoeveel
de gouden Willem berekend was.
166. A. en B. ruilen. A. heeft tarwe van 9 gl. den
H.L. en zet die op 10 gl., doch begeert V5 in geld; B.
heeft rogge van 6 gl. den H.L. A. levert 150 H.L.
tarwe; nu vraagt men, hoeveel H.L. rogge B. zal moeten
leveren, als hunne ruiling gelijk is ?
167. Iemand moet betalen 4000 gl. in 8 jaar, ieder jaar
het achtste gedeelte van 't kap. met den verschenen interest,
a 4 Va 7o jaars. Indien débiteur en créditeur nu overeen-
komen, dat ieder jaar evenveel betaald zal worden, vraagt
men, hoeveel de créditeur ieder jaar ontvangen zal.
168. Drie personen nemen een werk aan voor 1850 gl.
A. en B. samen zouden 't kunnen afmaken in 11 Va week,
B. en C. samen in 13 Vu week en A. en C. samen in
12 weken. Bereken eens, hoeveel ieder van de aanne-
mingssom toekomt.
169. Iemand heeft waren van 25 gl. de 100 K.G.,
•die hij iu ruiling stelt op 30 gl., doch wil Vu i» Sfeld
hebben. Een ander koopman heeft linnen van 1,20 gl,;
hoe hoog moet hij dat stellen, over 9 maanden te beta-
len, als hij boven gelijke ruiling 4%'sjaars wil winnen?
170. Bereken de grootte in c.M^. van een stuk
koperen gewicht, ter zwaarte van 2 K.G., wetende,
dat het koper 8 -j^ maal zoo zwaar is als water; alsmede
de zwaarte van eene gelijke hoeveelheid goud, tot soorte-
lijk gewicht van dit metaal I9V4 stellende.