Boekgegevens
Titel: Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Auteur: Boeser, A.L.
Uitgave: Amsterdam: A. Hoogenboom, 1899
15e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 57 : 15e dr. (3e verz.)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204211
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
i 17
100. Dit is beschreven toen het jaartal'i getal
der verloopen i^a^i^intfiM
dat den datum |kanw^"strl8öb/M jaartal ipin Üemdatum
1840 was. Waneer is ^i^^gesohreven ? |
101. Een koopman heeft e.gnige meters linnen, waarvan
hij Va gedeelte verkoopt a 50 cents^ \ <ïeel a 60 cents
en de rest a 70 cents den \L Het verlies op de eerste
partij staat tot de winst op de derde partij als 2 : 3,
terwijl de winst op die twee partijen 15 gl. bedraagt.
Hoeveel M. heeft de koopman verkocht?'
102. Als men een zeker getal, dat een merkwaardig jaar-
tal in onze geschiedenis is, door 3 deelt,'t komende quo-
tient door 2, 't dan komende quotient weer door 2, en de
verkregen quotienten bij elkaar telt, dan is de som 655
minder dan 't jaartal zelf. Welk jaartal is hier bedoeld ?
103. Yier kooplieden handelen gemeenschappelijk. A.
legt 600 gl. meer in dan B,; terwijl C. en D. samen 6600 gl. in-
leggen. Zij winnen 1296 gl., waarvan A. en B. samen 5Ö4 gl.
toekomt en D. 432 gl. Hoeveel heeft ieder ingelegd?
104. Hoeveel blokjes hout van 2,5 centimeter in 't
kubiek hebben evenveel inhoud als een kubus, welks zijde
6,25 decimeter is ?
105. Een korenkooper heeft eene party koren, waarvan
hij de helft verkoopt tegen 7,75 gl. en de rest tegen 10 gl.
den H.L. Als nu 't verlies op den eersten verkoop tot de winst
op den tweeden verkoop staat als 1:8, en hij in't geheel
350 gl. wint: uit hoeveel bestond dan de geheele partij ?
106. A. geeft aan B. een zeker kapitaal op interest voor
3 jaar a 4 "/o en aan C. eene gelijke som, ook voor driejaar, a
5 'sjaars. Zoo A. nu in 't geheel aan kap. en int, 9080 gl.
terug ontvangen heeft: hoe groot is dan ieder kapitaal ?
107. Naderhand zet dezelfde heer wêer twee kapitalen
uit, waarvan 't eene 2000 gl. grooter is dan 't andere, voor
den tijd van 1,5 jaar. 't Kleinste geeft 473 en't grootste
Boeser, 3e Verzam. 15e druk. *