Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
148. Deze messeraakers fabrieken oprecht Engelsche messen.
149. De door godvreezenheid uitstekende Brahmaanen brengen
uren achtereen zoek in godvruchtige en deugdzame bepeinzingen.
150. Hoezeer ik ook nacht gebraakt heb, 't studeeren heeft
voor mij geen vruchten afgeworpen ter zake van mijn zoo on-
vast geheugen, dat wat ik den eenen dag leerde, mij den vol-
gende reeds uit 't geheuge verloren was. Ook kan ik niet zeg-
gen dat dat eeuwige gestudeer en gelees mij bijster aanstond of
bevallen is. Ik ga dus maar voort met niets uit te voeren en dit
gevalt mij beter; zoo ik al den ontwikkelde noch in kennis of
in oordeel voorbij kan streven, zoo troost ik mij toch met deze
gedachte, dat ik dag aan dag dikker en bloozender wordt, iets
dat ook hare waarde heeft, al is zulk leven geen lof waard.
Maar wie kan zijne aangeschapen gebreken goed maken ?
151. Onaangekleed trad ik binnen, aangezien ik niemand in
mijne kamer vermoede. Hoe schrike ik op 't zien van eenen
elegant gekleeden, mij onbekenden vreemdeling, die mij met
uitgespreide armen te gemoet rende en mij voor zijnen lijflijken
broeder verklaarde, 't Laat zich begrijpen, dat ik luidkeels
meesmuilde en mijns zijds getuigde geenen broeder te bezitten ,
daar mijnen eenigen mij voor twintig jaren ontrukt 't daglicht
sedert niet meer aanschouwd had. Er had dus een vergissing
plaats gevonden, welke aan den dag trad op 't noemen mijns
naams. De man putte zich uit in overdadige verontschuldingen
en verliet bedremmeld mijn vertrek. Hij moest zijn bij mijn
buurman, die scheef tegenover mij woonde en eenen kantoor-
klerk was, wiens broeder voor tal van jaren naar den Oost was
weggeloopen op wiens zedig gedrag vrij wat viel op te merken en
van dien men nimmer meer een jota had vernomen.
152. Scheef tegenover de Lievevrouwekerk staat onze schouw-
burg. Dien bezocht ik dikwijls en maakte ook kennis met de
schouwspelers en schouwspeelsters van beide sexe. Deze waren