Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
139. In hoeveel tijds legt onze aardrijk zijnen loop om de
zon af?
140. Door dikwijlsche achteloosheid wordt men onachtzaam.
141. Dezen arts roep ik bij geene ziekte in, daar ik zijne
kunde verdenk.
143. Schaf mij eenen zetel; ik ben warm van 't rennen en
snuif van 't loopen, boeha !
143. Niet altijd is schade nadeel te noemen.
144. Ik vermoed mijnen knecht van dieverij en zal hem bij-
gevolg afdanken; nimmer krijgt de schobber alsdan wederom
eene post van huisknecht; reeds vroeger is hij wegens 't zelfde
gebrek uit de krijsdienst ontslagen.
145. Hebt ge dit opstel afgedaan, dan is Uwe taak afge-
maakt.
146. De generaal aan den kop zijn legers volgde den vijand
op de hakken en beval onderwijl de artillerie bommen en grana-
ten in deszelfs legerplaats te smijten ten einde ook aldaar de
vluchtelingen te vernielen, 't Was een treffend gezicht, die ver-
volging ! Voort stoven de overwonnelingcn, toen wij hun zoo
onvermoeid nazaten. Dezen werd de schedel gekloven, genen
door den bajonet afgemaakt; 't veld werd gezaaid met lijken en
gekwetsten 1 Toen ijlden zij naar hunne legerplaats terug; de
vrees gaf bun vlerken en zij bereken dien binnen korten tijd.
Doch hoe ontmoedigd zagen zij zich aan, toen 't schroot van
onzen landaard ook daar niets gespaard had ! Echter moest men
hen, om zoo te zeggen, 't mes op den gorgel zetten voor zij
zich overgaven. Vele gekwetsten werden met geeuwende wonden
in het hospitaal gebragt; de dooden deed men begraven. Slechts
de ontzielde paarden bleven ten buit aan de roofbeesten, die
met hunne pooten daarin rondvroetten.
147. Niet-eters bestaan niet; geen mensch kan voetsel ont-
beren ; lui die niet aten en toch leefden, zijn verzinsels of logens.