Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
93. Nevens 't stadshuis woont een uitdrager, die oudemans-en
vrouwe kleedereu verkoopt.
94. Wacht mij als de maan 't aardrijk bestraalt, de lucht door
geene wolken verduisterd is, de sterren aan het uisspansel blinken
op de bestemde plaats.
95. De buiten gewoonste en verruklijkste mondbehoeften prij-
ken op den disch van dezen smulaard, doch wij zijn tevreden
als wij genoeg hebben om onzen honger te lesschen en dorst te
stillen.
96. Voor een merkwaardige somme gelds heb ik mij dit aan-
zienlijke boekske toegeeigend.
97. De Atheners hebben de Perzen te water en te veld ge-
slagen.
98. Terecht zecht 't spreekwoord hoe meerder haast hoe klein-
der spoed ; evenzeer een goede daad geeft altijd zegen. Evenzeer
de dageraad heeft goud in den mond.
99. Bemoedig de laffaarts in 't gevaar door 't zelf te ver-
rachten.
100. Deze ellendeling houdt in alles zijn eigenbaat op 't oog.
101. Is 't waar dat de gierigaard niets heeft van 't geen hij
bezit?
102. Ik bouw in deze moeilijke zaak op uwe meerder kennis en
verlaat mij op uw trouw en eerlijkheid.
103. Hoe zal deze man, armoedig als hij is aan deugden en
bekwaamheden, in de wereld voor uitkomen ?
104. Stem toe dat ik mij een oogenblik verweidere en ik zal
u de verlangde bewijzen overhandigen.
105. Sterke banden houden den mensch aan zijn vrienden
en verwanten, onbreekbare aan zijn vaderland gekluisterd.
106. Daar ik mij tijdens mijn verblijf ten zijnent gruwzaam
verveelde, zocht ik eenigen arbeid en vond dien in 't rangschikken
der bibliotheek mijns gastheers.
3