Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
Men kon uit zijn spel hooren, dat hij een duchtige school had door
gemaakt, iets waarvan ik geloof dat alle gelijkmatig overtuigd
waren. Daarop volgde een zmgerin met werkelijk bekoorlijk
geluid, doch alles behalve zoo hoog staande als kunstenaar. Uiterst
verbaasd was ik, dat ook zij 't publiek levende kreten van hijrtal
ontlokte. Eerstens vond ik haar spel, haar geluid mocht wezen
wat 't was, niet opgewassen tegen de door haar vertolken mees-
terwerken. Wel is waar, dat het orkester haar alleruitstekendst
begeleide, maar dat kon hier niet alles afdoen. Ten slotte vond
ik hare toonen vaak te gerekt en te veel op effect jagende in de
oo\orsXmnovergangen. Ik kan haar niet beter vergelijken, dan
met een jeugdig voordrager, die een veor zijne krachten niet
berekend gedicht reciteert, en dien 't hoofdzakelijk vereischte,
inbteldingskracht, te kortschiet, een klip, waarop zoovelen ver-
zeilen. Te midden van de bijvalskreten der verzamelde menigte
wierp mij mijn naaste buur een verstolen blik toe, die alles zei-
de. Hij was als in zijn innerste uiterst verontwaardigd over
die valsche waardeering van dat middelmatig genie. 'T spijt mij,
dat een ongewone smart in mijn rechteroog, mij toen noodigde
heimwaarts te gaan en belette 't program ten einde toe bij te wonen.
Doch naar 'k hoor was 't geen ik alzoo misliep vrij onbeteekenend. Op
mijn weg huiswaarts bejegende mij een kenbaar bedronken mans-
persoon, naar ik gewaar worden kon van gespierde schouders en
kloeken bouw. Hij murmelde eenige onbegrijpelijke woorden,
waardoor hij mij iets scheen kenbaar te willen maken. Doch
c^rtoyfelende iets verstaanbaars uit hem te halen, liet ik hem
alleen achter, zonder mij te beangstigen, hoe 't hem verder zou
vergaan.
Hierneffens zend ik UdE. \Jwprachtvolle sonaten terug, welke ik
vluchtig door geweest ben, en wier totaalindruk aangrijpend op
mij heeft ingewerkt. De telken reize verandering van toon-
aarden was hier en daar 't gawinde spel niet bevorderlijk; maar