Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
S3
brengen. Zijn zucht om van dienst te zijn straalde in de klein-
ste kleinheden door. Behartigingswaardig de wijze lessen, die
hij ons gaf. Eoemingswaardig de scherpzinnigheid, bewonderings-
waardig de kalmte, waarmee hij de netelachtigste vraagpunten be-
handelde. Navol^jB.yjwaardig zijn geheele handel en wandel van de
wieg tot aan het graf. Maar ik doe 't voorkomen, als was de
man reeds niet meer. Goddank, wij bezitten hem nog en zijn
bezit brengt ons jaarlijksoh een aardig sommetjen op. Wel is
waar is zijn jaarlijksche bezoldiging niet groot, maar wat zal ik
U zeggen? Althans groot genoeg om van te leven; en besluiten
wij hem meer te geven, dan verheften de andere kantoorbedien-
des ook hunne stem om verhoogd te worden! Meer behoef ik U
niet zeggen U te doen begrijpen, zulks onmooglijk is. En nu
ik toch daarover aan 't spreken ben (Kern § 130) haast ik mij
der bij te voegen, de aanspraken der anderen ook niet ongegrond
zijn en ik 't mij een pligt reken altijd billijk te zijn. Ik sta
U borg die zijn ook alle oppassende en verdienstelijke bediendes.
Doch ik zie, gij hebt (Kern § 126) geen langer tijd mij
aan te hooren; ook ik heb geen langer lust of tijd (Kern § 138)
U te woord te staan , daar 't telaat zou zijn mijn voornemen
uit te vo eren Uwen vriend een bezoek te brengen, stond ik nog
langer redenerende. En ik heb geen plan den avond alleen door
te brengen, maar grooten lust eens over koetjes en kalfjes te
spreken; de mensch toch is maar al te geneigd in ernstig gepeis
zijn leven door te brengen, zelfs al heeft hij de gelegenheid zich
te verstrooien. Bovendien ben ik verlangende iets naders aan-
gaande 't schip te hooren, waarvan wij de hoop hadden opgege-
ven ooit iets te vernemen. Wij hadden, meenden wij (Kern
§ 126) gegronde rede ernstig bezrrgd te zijn over de behou-
den binnenkomst deszelven. Bereids beschuldigden men den
kapitein de noodige maatregelen te hebben verzuimd, 'taan hem
toebetrouwde pand te bewaren. Doch in plaats hem te beschul-