Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
moeielijk, daar ons land zooveel kundige veeartsen opbrengt, dat
men waarlijk niet wist, welke te kiezen, welke niet. Ten slotte
streden we over den tijd, waarbinnen 't in 't werk te stellen onder-
zoek zoude behooren afgeloopen te zijn. Eindelijk en te laatste
bepaalden we , dat de te vermijdene Germanismen en andere ismen
niet in 't uit te brengen rapport zouden mogen vooorkomen, zijnde
daarvoor even goede, zoo niet beter Hollandsche uitdrukkingen
te vinden, welke het schande is niet te gebruiken en voor Pran-
schen, Eugelschen en Hoogduitschen draf (als Bilderdijk zeit)
om te wisselen. 15. Ik sta reeds een half uur naar hem luisteren,
en heb gisteren zeven kwartier naar hem staan luisteren, maar
nog weet ik niet wat hij gezegd heeft of zeggen heeft gewild.
16. Dit dienstmeisje brengt haar tijd zoek naar de winkels kij-
ken, als ze boodschappen moet doen. En doch durft haar mijn-
vrouw daar niets van te zeggen. 17. Deze seigneur (Te Winkel
5 620) heeft de onaangename gewoonte onophoudelijk de kamer
te doorloopen (Kern § 76) als hij tot u spreekt, wat zeg ik? als
hij een redevoering nhteekt; waut hij houdt over onbeduidendste
zaak woordelijk een speech, en heeft gisteren o. a. over 't nut
der creoliene een uur lang 't woord staan te voeren in verband
gebragt met de toenemende beschaving. 18. De spoor had gis-
teren een onheil; ik ben er heelshuids afgekomen doch veler ar-
men zijn stuk, anderer beenen gebroken, enkelde zelf geheel ge-
dood en geplettert en onkenbaar gekneust. 19. Er is een tijd
om te gaan en er een tijd om te komen, zegt een diep be-
treurd Nederlandsch dichter. 20. Er is een tijd te werken, er is
een tijd te spelen, 't Is nu tijd van naar de station te gaan; de
trein vertrekt over een kwartier. 21. 't Is nu tijd om te rusten,
want anders overspan ik mij bij 't werk. 22. Toen de man zich
beklaagde over mijn zoontje Karei, dat zich aan zijn appelboom
vergrepen had, kwam juist de deugniet aangesprongen , 't gestolen
fruit in de hand. 't Kwam mij 't beste voor hem met een zachte