Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
4. Mijnen vader uitgezonderd bestaat onze heele famielje uit sukkels
aan koorts. Uwen broeder uitgezonderd vond ik niemand 7 huis.
Uitgezonderd u zeiven heb ik steeds uwe familie voor domkoppen
versleten. Behalve gij zal er heden avond niemand komen. Ieder
zal deelnemen aan de vreugde des feest behalve ik; behalve mij
zal de geheele wereld alzoo pret hebben. 5. Ik ben uitermate in
mijn schik met de onderscheiding, die mij onlangs is te beurt
gevallen. 6. Mijne belangen heeft hij steeds krachtiglijker zich
zijner aangetrokken, dan iemand ter wereld. 7. Waarschijnlijker
zal hij mij heden avond een bezoek komen afleggen, dan deel-
nemen aan de partij, welke te uwe eere zal gehouden worden.
8. Zijn huis is zeer dichte bij, hij kan aldus zeer spoedig terug
zijn. Ik ben hem elk oogenblik verwachtende. In(?«daad daar
komt hij reeds aangeloopen! (Kern § 116.) 9. Ik lijde (Kern
§ 46) onverdraag.?a»2e kiespijn. Kunt gij mij helpen'i Neen ik,
maar ik heb wel een middel voor de koorts. 10. Hier is geheel
mijn vermogen! de ongelukkige moet geholpen (Kern § 12.3, 2).
Ga, red hem! 11. Gij drinkt wijn. Ook ik drink wijn. Ik drink
ook wijn. Drinkt gij ook wijn? Ik drink ook wijn, maar gij —
ze. 12. Vergeefsch spande ik al mijn krachten in, niets mocht
baten. Niets kon mij helpen en ik viel in de macht mijns
slimslen vijands. 13. 't Menschdom wordt hoe langer (Kern § 137)
hoe meer beschaafder. De bevolking al groot en grooter. Zullen
op laatst allen niet volmaakt en de wereld te klein zijn die te
bevatten? De eene denkt er zoo, de andere zus over; ik geloof,
dat 't wijsste is zich in dergelijke beschouingen niet te ver-
diepen. Wie toch kan de toekomst lestemmen, welks oog de
nevelen doordringen van een tijd, die de onze nog niet is?
14. Wij beraadsloegen over de te nemene maatregelen tegen de
zich alom verbreidende veeziekte. Allereerst deed zich de vraag
op, uit hoevele leden de te benoemen kommissie zou samenge-
steld behooren te zijn. Dan was de te doene keuze hoogst