Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
plachten hunnen hoofdman te vergezellen en verpleegden hem,
als hij gewond was en hulpeloos daar nederlag. 46. Zet U
neder en kom naast mij zitten. Ik zie de eier, die ik onze kip
zag leggen, daar gindsch in 't gras leggen. Ik zag dus de ei-
eren leggen en liggen. Anders: Hij legt het boek, dat op den
grond leit, bij de boeken, die ik heb neergeleid. Anders: Ik
zag den vluchteling door de schildwacht neerleggen en niet -verre
van de schildwacht neerliggen. Dus zag ik de schildwacht neer-
liggen, maar den vluchteling neerleggen en neerliggen. Zoo zag
zeker kind zijn vader op zijn tachtigste jaar dopen. 47. Pidel
kloof 't been, Willem (den knecht) 't hout, de adelaar de lucht,
't schip de baren. 48. Phidias beeldhakte den Jupiter te
Olympia en de Minerva te Athene. Doch hoeveel beelden hij
gehouwen heeft (Kern \ 108) de kunstwereld heeft er geen enkel
van overgehouden. — Houw op! zei de onverschrikte krijger tot
zijn vijand. Hou op! smeekte de lafaard en gaf zich krijgsge-
vangen. 49. 't Uit de diepste ingewanden der aarde opgedelfde
ijzer wordt geheet, gesmedeu, gegloeid, en door plotselingsche
iekoeling tot staal veranderd. Van daar de gepolijsde brace-
lets, geglimde knopen, zilveren halskoralen en andere zeer ge-
zogte vercierels. 50. Daar hij wel begrijpen kon dat ik de
kinderschoenen was ontwassen en hij mij dat niet te min onge-
wasschen dorst te zeggen, deed ik hem door een slag op zijn
met dik haar bewassen kaken op den gewasten vloer neertuime-
len, en noodzaakte hem zich door wassen te ontwassen. 51. De
schurke, die deze arme rijzigers uitgeschud, gepijnig, gemartel
en vermoor hebben, zijn gekastij, gevonnis, gegeesel en gebrand-
merk. Toen men hen kastijd-e, vonnis-e, geesel-e en brand-
merk-e heeft 't volk geraas, getier, gejuich, geschrei en ge-
schreeuw. 52. De Spartanen krijgden met Athene en kregen
dit ten laatsten in hunne macht. 53. Als ik woude, zoude ik
hem groot nadeel kunnen doen. Als ik wou, zou ik hem een