Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
Keesje, d — zija zusje geslagen heeft, word bestraft. Klein
Keesje, d—een ruit gebroken heeft, zat mooi in 't nau. Pietje,
dat nu reeds met leugens omgaat, zal eens aan de galg komen.
Klein Pietje, d — zoo zoet lijkt, is een rechte huilebalk. Klein
Marietje, d--voetje verstuikt heeft mag niet uitgaan, 't
Wijze Gerritje, d — altijd zijn zin wil hebben, is een akelig
jongske. 't kleine Kaatje, d — zoo aardig met — popje speelt
is een kleine nuf.
't Volkrijke Amsterdam, d--ouden roem handhaaft, is de
hoofdstad van Nederland, 't eerwaardige Leyden , d — met recht
trotsch is op — hoogeschool, is alom bekend.
't Bekoorlijke Haarlem , d — terecht boogt op—bekoorlijke
omgevingen is de geboorteplaats van Laurens Koster.
VI. O, sprak de liefdedronkene jongeling teder tot de ko-
ningin zijns hart, ik hunker naar den tijd , waarop ik u voor
altijd de mijne zal mogen noemen en ik de Uw zal zijn tot in
eeuwigheid. O onverbreek — zullen dan onze harten aaneenge-
ketend zijn! Dit zeggende biggelden hem de tranen; Uj droomen
langs de wangen, doch dit vermurvde haar hart niet.|Zijngloênde
taal had op haar niet den minsten indruk en zij p«rstiet Jiem van
zich. Haar hart toch behoorde aan een ander toe. Doch' steze
was een koel mensch, zonder liefdesbevatting, afzichtelijk als-.de
nacht, daar zijn gelaat door koepokken was ontsierd.
VIL Een braaf huisvader zorgt voor de zijn, een braaf huis-
moeder voor de haar & wij al voor de ons. —
{Wien ik verwacht had, verscheen niet (Kern § 135).
Wie verwacht werd, verscheen niet.
Wij begaven ons beide op weg na 't policiebureau; een ons
had zijne portefeuille met driehonderd gulden verloren; 't was
mijn vriend Z, dien dat was te beurt gevallen. Al pralende loopt
ons een jonge voorbij, waarlijk de eigenste portefeuille in de han-
den. Dit is de mijne, riep mijn vriend verrast uit, volgde den