Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
4. Deze persoon blijkt vergeven te zijn. 't Vergift, 't vergif
of 't gif was hem toegediend in een taart, welks zoetigheid hem
aanlokte.
5. Terwijl 't koeltetje met hare lokken speelde, zat zij daar
neer, in gepeizen verzonken loopende over haren verren vriend.
6. Ik had fijftig appelen hier geborgen. Daar heeft me die jongen
er twintig afgenomen en er tien van opgegeten (Kern § 99 E,
§ 100,3, b). Hoeveel appels heeft hij? Hij heeft er tien (ib.).
7. De nieuwigheid eener zaak trekt velen aan.
8. Vastigheid in beginsels zij 's mans kenmerk.
9. De bewoners worden gewaarschuwd hier geen asch of ymligJieid
neer te smijten.
10. Deze koetsier geeft zijne paarden geen genoeg voeder en
verbaast zich nietemin over hunne magerte.
11. Hortensius evenaardde Cicero niet in welsprekendheid.
12. Die onuitstaanbaar kerel dwarsdrijft een ieder. Bedoelt ge
dien blauwjas daar? Neen, dien kaalkoppigen en dien spitsneuzigen
(§2, 2) daar.
13. De wijzen uit 't Oosten kwamen en baden 't kind/e Je-
zus aan.
14. 't Bisschopdom Utrecht was een twistappel.
15. Ik geloof mijne weddingschap te hebben gewonnen.
16. Ik heb zeven kwartier in de kouw staan te blauwbekken
maar ik kon de vogel niet in de kouw lokken.
17. Wanschepsel! mijne oogen uit! (Kern § 123) riep ik buiten
mij zeiven van woede, of ik zal de wereld van zulk een wandier,
als u, bevrijden!
18. Slapende ving Hercules den hinde met goud gewij.
19. De konijn leeft in holen; de kapoen is een soort haan; de
kameleon een kleurling.
20. Deze dame, eene vreemdelinge, reeds als zuigelinge de
lievelinge van alle, en echtgenoote (of gemaal) dezes eene goudge-