Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
eens gloeiende geweest; weldra stolde de buitenste korst en werd
met levend— wezen vervuld. Volgen«?« aller mening draait zij om
de zon, die onuitput— bron aller w,irmte. Eere den geleerde,
door wier scherpzinnigheid wij lot 't bezit dier onomstoot—
waarheid gekomen zijn.
ITl. De eigendlijke werkkring der vrouw is 't huisgezin; hare
waar en hoog roeping is de opvoeding harer kind. Van haar hoort
de zuigeling de eerste klank.; naar haar noemt hij zijne taal de
moedertaal. De indrukken, die zijne nog ongevormde ziel van haar
ontfangt, blijven hem zijn leven lang bij. De vrouwen, die die
gewigtig taak volgens behooren vervullen, brengen alle weldenkend
en edel menschen hunne hulde.
IV. De oorlog is 't grootst kwaad; de vrede doet de volken
op de baan der ontwikkeling rustig voortschreiden. — Wie U
gloeit niet voor 't schone en goede? Op wies banier staat die
leuze niet geplant? — (in schromelijk, zoo ge meent, dat Uw
vriend mij dat heeft medegedeeld, 't Was iemand ander, dien ge
niet kent. Laat ons dus over iet ander spreken. — X. hield echter
staand, dat 't niemand ander was, dan hij gedacht had en verliet
verwoed 't vertrek. Ik zag hem verbazend na; 't was duidelijk dat
iet. OBgewoon in hem omging.
V. De Fransch en Engelsch zijn twee magtige naburen van
elkander; de eerst, zegt men, zijn de sterker te land , de ander
te zee. Velen echter meenen, dat de Fransch zeemacht voor de
Engelsch geen haar breed uit den weg hoeft te gaan, ander beweren
't fe^««gestelde. Deze beroepen zich op de van ouds bekend ge-
schiktheid der Engelsch voor de zeedienst, gene op de verbaasde
vooruitgang der Fransch marine in de laatst tijd; wie hebben
recht? Of is 't te zwaar een vraagstuk te behandelen? Dat veel-
licht niet, maar ricJUiger gezegd, ik ben de man nog niet — zulks
te — oordeelen, en zal bevorens mij tot rechter op te werpen uit-
slmtelijk daarvan een studie maken , als wanneer ik U mijne meening