Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bloem. 73-
aan te voeren voor de meening dat hij een product is-
van de vruchtbladen. Bij Primula b.v. bestaat het vrucht-
beginsel uit vijf vruchtbladen. Men veronderstelt nu dat
elk hunner een zaadlijst heeft voortgebracht, maar dat
deze zaadlijsten zich geheel van hun vruchtblad hebben
losgemaakt en tot een geheel vrij, zelfstandig, centraal
geplaatst deel zijn versmolten.
De zaadlijsten zijn w an d s t a n d i g bij Erwten, Boonen^
Goudenregen, Klaproos, Viooltje, asstandig bij Cro-
cus, Tulp, Geranium, valseh centraal bij Anjeher,
Duizendschoon, centraal bij Primula.
De uitwendige gedaante van het vruchtbeginsel is zeer
uiteenloopend. Zij kan zijn kogelrond, eirond, cilinder-
vormig, drie-, vier-, vijf- en meerkantig, platgedrukt enz.
Gewoonlijk herkent men er reeds de gedaante van de
rijpe vrucht in. Boven op het vruchtbeginsel treft men
een dikwijls maar zeer klein deel aan, dat zich aanstonds
doet kennen door de afwijkende kleur en de oneffenheid
der oppervlakte. Die oneffenheid wordt teweeggebracht
door korte of lange haren, waaruit het geheel grooten-
deels bestaat. Men noemt dit deel den stempel (fig.
83 n). De stempel is of onmiddellijk op het vruchtbe-
ginsel (Boterbloem, Waterlelie, Klaproos, Tulp) of door
middel van een stijl daarop bevestigd. In het eenste
geval noemt men den stempel zittend. De lengte van den
stijl kan zeer verschillen, zoo is hij bij Crocus zeer lang
(10 C.M.), maar bij Thalictrum (fig. 83 III) kort.
Even als het vruchtbeginsel'zelf, waarvan hij slechts
een verlengsel uitmaakt, is de stijl hol zooals bij het
Viooltje, maar ook in vele gevallen is dit s tij Ik anaal
gevuld met een los en sponsachtig weefsel, dat men het
geleidend weefsel genoemd heeft en waarvan de