Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
-66 De bloem.
kroon toepasselijk, dan moet men hare onderdeelen zoo
nauwkeurig mogelijk beschrijven.
Evenals bij perigonium en kelk kan ook bij de bloem-
kroon een spoor voorkomen. Is er slechts één, dan wordt
de kroon natuurlijk onregelmatig, maar hebben alle
blaadjes een spoor, dan kan het geheel
den regelmatigen vorm behouden.
Voorbeelden: Viooltje, Akelei.
Bijkroon. Met dezen naam duidt
men aanhangselen van de bloemkroon en
van het perigonium laan, die daarmede
in uiterlijk overeenkomen ; zij vormen te
zamen een kransje, dat of éénbladig is ot
Fig. 7t3. uit vrije deelen bestaat (fig. IQn). Soms is
de bijkroon zeer in 't oogvallend, soms bestaat zij uit niets
meer dan kleine dikwijls vleezige schubjes (kroonschub-
ben). (Vergelijk hiermede het tongetjes der Grassen, p. 6).
Een groote bijkroon heeft de gewone Narcis, veel
kleiner is zij bij het Vergeet-mij-nietje, den Smeerwortel
en de Anjelieren.
Na alles wat over de bloembekleedselen gezegd is,
zal ook de beschrijving van het perianthium geen moeie-
lijkheden opleveren.
2. De geslachtsicerktuigcn.
A. De meeldraden.
De meeldraden (s fig. 51) zitten altijd binnen de bloem-
bekleedselen en wel aan de binnenzijde van den tweeden
krans. Niettegenstaande hunne bladnatuur wijken zij
in gedaante sterk van de meeste bladsoorten af. Zij
zijn in een of meer kransen geplaatst, die onderling