Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bloem. 51-
2. Stengel- of t a k d o o r n e n. De takdoorn is
een korte puntig toeloopende
tak, die evenals andere takken
met schors en kurk overtrokken
is, en waaraan zich dikwijls
bladeren bevinden. Inlandsche
voorbeelden zijn te vinden bij
den Meidoorn (fig. 50, a), de
Slee en den Duindoorn.
Aanmerking. Behalve de
beide genoemde soorten van
doornen z^n er ook loorteldoornen. Zij komen bij enkele
Palmen voor en bij de bekende Myrmecodia, op Java,
die in hare talrijke galerijen duizenden van mieren
herbergt. In beide gevallen zijn het luchtwortels die
door hun puntig uiteinde geheel het voorkomen van
doornen bezitten.
V. DE BLOEM.
Alle bladachtige deelen, die wij tot hiertoe niet be
handeld hebben, staan met het ontstaan van vruchten
en zaden in onmiddellijk verband. Te zamen met den
bloembodem vormen zij de b 1 o e m. Daar alle bladeren,
die de bloem in hoofdzaak samenstellen, zeer dicht op
elkaar staan en het geheel door een meestal langen
stengel (den bloemsteel) gedragen wordt, valt de
bloem gemakkelijk in het oog. Ofschoon de zijdelingsche
deelen der bloem al heel weinig op bladeren gelijken,
komen zij er toch in de wezenlijke kenmerken (zie p. 19)
mee ovc-reen.
Beschouwt men een bloem uitwendig, dan ziet men