Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
42 De icortel.
deel weldra uitgroeien en zich met zijwortels bedekken
en wel in die orde, dat de jongste het dichtst bij den
worteltop geplaatst zijn, en elke oudere er steeds verder
van verwijderd is. Tevens zal men zien dat de hoofd-
wortel loodrecht naar beneden groeit, maar de zijwortels
een hoek maken met de loodlijn.
Ook laat men ,wel wortels in vochtige lucht groeien
door b.v. kiemplanten onder een kurk te bevestigen
die een cilinderglas afsluit, waarin zich een weinig water
bevindt. Die bevestiging der kiemplanten aan de kurk kan
geschieden met een speld die men door de zaadhuid steekt.
Door gebruik te maken van deze beide cultuurwijzen
leert men eigenaardigheden in den groei kennen, die
anders niet zoo gemakkelijk zouden blijken. AVij stippen
slechts enkele punten aan:
1°. de lengte der groeistreek. AA^'anneer men te begin-
nen van den voet van een kiemwortel daarop streepjes van
0. 1. inkt afzet op gelijke afstanden b.v. 1 mM., dan zal
blijken dat de meeste stukjes in 24 uren niet gegroeid zijn,
maar dat alleen de 7, 8, 9 of 10 laatste een duidelijke
verlenging hebben ondergaan. Dit stuk noemt men de
groeistreek. Nadere beschouwingen doet nog zien,
dat binnen de grenzen dier streek de verlenging niet
overal even sterk is en b.v. aan de beide einden geringer
is dan op de plaats die even boven het midden gelegen is.
2°. Het ontstaan van krommingen onder den invloed
der aarde. Plaatst men een wortel horizontaal dan kromt
hij zich weldra omlaag; deze kromming vertoont zich in de
groeistreek en wel voornamelijk daar, waar de grootste
groeisnelheid is. Kennelijk wordt in dezen stand de groei-
snelheid bovenop vergroot, aan de onderzijde vertraagd,
zooals uit nauwkeuriger waarnemingen dan ook blijkt.