Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Phanerogamen. 297
Terwijl alzoo bij de lagere Vaatcryptogamen de beide
generaties als zoodanig scherp gescheiden zijn, treedt
bij de hoogste groep in zooverre een vereenvoudiging
op, als de geslachtsgeneratie reeds op de moederplant
zich begint te vormen, maar de bevruchting eerst dan
plaats heeft, als het vrouwelijke prothallium zich van
haar heeft losgemaakt.
Bij de zaadplanten geschiedt nu ook de bevruchting
van het vrouwelijke orgaan en het uitgroeien er van
tot een embryo op de moederplant (p. 125). De door
de Phanerogamen gevormde microsporen zijn de pol-
lenkorrels, terwijl de embryozak van den zaad-
knop met de macrospore overeenstemt. — Bij de he-
terogene Vaatcryptogamen worden de beide sporesoor-
ten steeds op dezelfde plant gevormd, bij verscheidene
Phanerogamen (tweehuizige) draagt een plant alleen maar
microsporangiën (helmhokjes), een andere slechts macro-
sporangiën (zaadknoppen). Terwijl slechts bij de hoogste
Vaatcryptogamen de sporangiën bladvormingen zijn, is
dit bij de Phanerogamen altijd het geval.
I® Afdeeling. Gymnospermen.
De microsporangiën zijn op een bijzonderen tak ge-
plaatst, die veel op de vruchtaar der Equiseten gelijkt.
Zij zijn vastgehecht aan den voet van schildvormige
bladeren (meeldraden) en heeten pollenzakken. Hun
wand bestaat uit een zacht vlies, dat bij rijpheid over-
langs openspringt en alsdan de microsporen of pollen-
korrels laat ontwijken. De pollenkorrel (fig. 198) ver-
deelt zich in 3 tot 4 cellen, die te zamen een zeer
rudimentair prothallium vormen, een dezer cellen groeit
uit tot een pollenbuis.