Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Cryptogcmien. 289
zuur, dat zoo regelmatig verdeeld is, dat men een ge-
heel kiezelskelet van den stengel kan maken door laatst-
genoemde op platina-blik te gloeien in aanraking met
een weinig zwavelzuur. Ook in anatomische opzichten
wijken de stengels van die van vele andere Vaatcryp-
togamen af. Door de kringvormige rangschikking der
vaatbundels {g VII) komen zij reeds eenigermate met
de Conifeeren en zelfs met de Dicotyledonen overeen.
In een Equisetenstengel vindt men altijd langgerekte
luchtholten; eene daarvan [h) ligt in het midden, en
heeft een kleinen (Eq. palustre, arvense) of een grooten
(E. limosum) diameter. Onder de opperhuid ligt verder
een ring vaji kleinere holten (i), de valleculaire, en
afwisselend daarmee, maar in den vaatbundelring {g^^g)
een kring van nog kleinere holten, de carinale kanalen.
Alle Equiseten zijn overblijvende planten, zij bezitten
een wortelstok, waaruit behalve de stengels en wortels
ook tal van knolletjes ontstaan, die tot gewone stengels
kunnen uitgroeien.
Aan den top van een vruchtbaren Equiseten-stengel
ontwikkelt zich de vruchtaar (a I). Zij bestaat uit een
groot aantal gesteelde schildjes (II), die in eenige kran-
sen aan een gemeenschappelijke as (het uiteinde van
den stengel) gerangschikt zijn. Aan de onderzijde van
elk schildje zijn eenige sporangiën bevestigd, kleine
vliezige zakjes, die zich overlangs openen. Schudt men
in het voorjaar uit een rijpe vruchtaar het rijkelijk
ontwijkende poeder op een glaasje en beschouwt men
het door een loupe of door een microscoop dan ziet
men het geheele poeder in leven en beweging. Onder-
zoekt men hiervan de oorzaak, dan blijkt dat de spore
(III) door twee dunne banden (VI) omgeven is, die zich
19