Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Cryptogcmien. 283
187, I-III vertoont enkele blaadjes van Polypodium
(I), Didymochlaena (II) en Nephrolepis (III), men be-
merkt hier een zeer regelmatige vertakking van de
middennerf en de sori (s) aan het uiteinde van een
zijnerf. Bij III zijn ook de niervormige indusiën, die
de sori bedekken, duidelijk te zien. Bij VIII (Pteris)
en IX (Adiantum) bevinden zich de sori aan den rand
der blaadjes of bladslippen, de bladrand schijnt zich
over de sporangiën heen te vouv^en en zoo te vormen,
wat men vroeger een v a 1 s c h indusium noemde. Bij
Lygodium (IV, V) een Schizaeacee zitten de sori op
uitgegroeide bladslipjes, waarin een zijnerf verloopt, zij
bestaan uit weinige (hier 7) sporangiën, die een hori-
zontalen ring bezitten. In de figuur zijn de sporangiën
geopend voorgesteld. Op gelijke wijze verhouden zich
ook de sporangiën van Angiopteris (VI, eene Marattiacee).
Bij Marattia eindelijk (VII) staan de sporangiën alleen,
zij hebben een dikken wand en openen zich door
een overlangsche spleet in twee kleppen (s); na de
opening ziet men van binnen verscheidene smalle
hokjes, die op twee rijen geordend zijn. — Bij de
Ophioglosseeën (fig. 189, die Botrychium Lunaria, in
onze duinen niet zeldzaam, voorstelt) is een geheel
blad tot een sporendragend orgaan vervormd. Het
onderscheidt zich uiterlijk onmiddellijk van het steriele
blad (het loofblad) en heeft blaadjes die kogelvormig
zijn en in wier binnenste de sporangiën gevormd
worden.
De Filicineën vervallen in drie onderklassen: in eigen-
lijke Varens (Filices), Marattiaceeën en Addertongen
(Ophioglosseeën). In tegenstelling met de aanstonds
volgende Watervarens, die twee soorten van sporen