Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
274 Cryi)togamen.
van zooeven sprake was, sporecapsel het bovenste
verbreede. Is de capsel rijp dan opent zij zich door een
deksel (d^fig. 182, bij de Leverraossen evenwel door vier
overlangsche spleten). Neemt men het deksel voorzichtig
weg, dan ontwaart men binnen den verdikten zoom of
ring, waarop het deksel stond, een of twee rijen fijne
tanden of wimpers, die te zamen een hoogst sierlijk
geheel vormen. Men heeft deze orgaantjes te zamen
met den naam van mondbeslag bestempeld. Binnen
in de capsel vindt men talrijke bruinachtige sporen om
een zuiltje geplaatst. Op vochtige aarde gelegd kiemen
ze (fig. 182 I). Evenals bij het uitgroeien eener pollen-
korrel tusschen de haren van een stempel, ziet men de
buitenste sporehuid bersten en de binnenste tot een buis
uitgroeien. Groote cholorophylkorrels (p. 233) kleuren
dezen draad groen. Deze draad vertakt zich en vormt
met andere kiemende sporen over de aarde een heel
fijn eigenaardig lichtgroen weefsel. Uit verschillende
punten van dit draderige weefsel, dat men voorkiem
ofprotonema noemt, komen eindelijk mosstengeltjes
voor den dag, terwijl in de tegenovergestelde richting
buizen uitgroeien, die den dienst van wortels verrichten
(haarwortels en niet wortelharen, wijl men onder laatst-
genoemde alleen maar uitgegroeide opperhuidscellen van
echte wortels verstaat).
1® klasse: Levermossen (Hepaticae).
De voorkiem (protonema) ontbreekt bijna geheel of
is zeer klein. De daaruit te voorschijn komende plant
(de eigenlijke mosplant) ziet er bij sommige geslachten
(Marchantia, Anthoceros) nog geheel loofachtig uit, bij