Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Cryptogcmien. 273
eicel tengevolge van een reeks van verdeelingen in
een organisme overging, dat in eigenschappen overeen-
komt met de Mosplant, die de geslachtswerktuigen
voortbracht. Immers de eicel, zooals die door Pha-
nerogamen wordt voortgebracht (p. 125), groeit na de
bevruchting tot een kiem of embryo uit. De uitkomst
leert evenwel geheel iets anders. Er ontstaat een
lichaam, dat om redenen, die weldra zullen blijken, wei
als een nieuw individu beschouwd moet worden, maar
dat toch geheel andere eigenschappen heeft als de oor-
spronkelijke Mosplant. Het bedoelde lichaam is echter
in staat een plant te leveren, die met de Mos ge-
lijk wy die kennen, overeenkomt. Deze tusschenvor-
ming heet bij de Mossen het s p o r o g o n i u m en
wordt door den leek gewoonlijk mosvrucht of vruchtje
genoemd. Bij aandachtige beschouwing der ontwikke-
lingswijze zal men tot de overtuiging komen dat eene
vergelijking met de vrucht der Phanerogamen volko-
men onjuist is. De eicel begint, na zich met een wand
te hebben bekleed, met eenige deelingen uit te voe-
ren, zoodat er al spoedig een lichaampje van grooteren
omvang ontstaat H). Weldra groeit het lichaampje
bovenaan meer in de breedte, onderaan meer in de
lengte. Aanvankelijk volgt de buikwand de uitzetting
van de daarbinnen besloten deelen; wanneer evenwel het
onderste deel van het steeds groeiende lichaam zich tot
een bepaalde lengte heeft uitgezet, scheurt de buikwand
in twee zeer ongelijke stukken. Het grootste (bovenste)
wordt in den vorm van een mutsje (huikje) opgetild,
terwijl het onderste dikwijls moeielijk terug te vinden
deel aan de basis van den steel achterblijft. Steel
noemt men namelijk het smalle verlengde deel, waar-
18