Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
HOOFDSTUK L
VORMLEER OF MORPHOLOGIE.
Alle deelen of organen, die het lichaam der hoogere
planten samenstellen, laten zich tot de volgende vier
groepen brengen:
L Bladeren.
IL Stengels.
IIL Wortels,
IV. Haren.
Aan een zeer jonge, pas uit het zaad te voorschijn
gekomen plant (een kiemplant) van een Eschdoorn (fig. 1),
van een witte Boon of van Tuinkers merken wij een
min of meer heen en weer gebogen deel be op, dat met
teedere haartjes Z'bezet is. Dit deel bei^ de wortel.
De deelen die met cc en cl zijn aangeduid, zijn blade-
ren; zij zijn op den stengel ab vastgehecht.
In het voorjaar kan men onder of dicht bij een Esch-
doornboom gemakkelijk een tal van die kiemplantjes,
zooals er bij Fig. 1 een is afgebeeld, vinden; maar
') Tegenover de hoogere staan de lagere planten; onder laatstgenoem-
den naam verstaan wij al die gewassen, die geen bloemen en zaden voort-
brengen, zooals Varens, Mossen, Schimmels enz. Wy sluiten de lagere planten
voorloopig zooveel mogelijk van onze beschouwingen uit en komen er in het
vijfde hoofdstuk uitvoerig op terug.