Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
206 I)e verspreidingsmiddelen van
smakelijk vruchtvleesch is uitgegroeid, dat tevens voedend
is. Ook gebeurt het vs^el, (zie Hoofdstuk I, p. 82), dat
de vrucht zelve niet, maar wel de bloembodem of eenig
ander deel vleezig is. In 't algemeen kunnen zeer ver-
schillende deelen der bloem of zelfs deelen buiten de
bloem het voedsel in zich herbergen, evenals ook de
honig niet aan een bepaald deel gebonden is. Het zaad
alleen is onverteerbaar of juister uitgedrukt, voor de
dieren onbereikbaar.
De wijze, waarop het zaad op zijne bestemmingsplaats
aanlandt, is van tweeërlei aard. Is de vrucht groot, dan
draagt de vogel haar in zijn snavel weg, eet de bruikbare
deelen op en laat het zaad achter. Kleinere vruchten
daarentegen worden geheel ingeslikt en geraken dus in
maag en darm. Hier nu wordt alleen het verteerbare
deel opgelost, maar de schaal, die de kiem omsluit,
blijft onaangetast. Daarna worden de zaden uit het
darmkanaal verwijderd en dus tegelijk met de uitwerp-
selen gezaaid, zoodat zij bij de kieming al dadelijk in
gunstige omstandigheden geraken.
3). Beschutting vanhetzaad. De kiem, het
wezenlijke bestanddeel van het zaad, wordt beschermd
door de zaadhuid zelve of door de binnenlaag van den
vruchtwand (b.v. bij steenvruchten). Deze inrichtingen
bieden volkomen weerstand aan de inwerking van snavel
en darmkanaal.
Behalve de hier beschrevene zijn er nu nog vruchten,
die voornamelijk ingericht zijn voor de verspreiding
door middel van zoogdieren. Zij zijn gekenmerkt door
stekels, borstels en haakjes, die gemakkelijk tusschen
de haren van dieren blijven vasthangen, wanneer ze er
toevallig tegen aankomen. Op een andere plaats raken