Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
196 I)e verspreidingsmiddelen van
IV. DE VEESPEEIDINGSMIDDELEN VAN VRUCHTEN
EN ZADEN.
Hebben wij zooeven gezien hoe schoon de inrichtingen
zijn, die een kruising van verschillende individuen ten
gevolge hebben, zoodat de nakomelingen zoo volmaakt
mogelijk zijn, thans willen wij nagaan, hoe die nako-
melingen op plaatsen kunnen komen, waar zij zich het
voordeeligst kunnen ontwikkelen. Dat het vermogen
om zich te verspreiden van groot gewicht is voor de
planten, laat zich op de volgende wijze beredeneeren.
Stellen wij ons voor, dat een zekere Lijsterbes eens
500 vruchten voortbracht, elk met twee kiembare za-
den. Daar nu ieder zaad in staat is tot een nieuwe
Lysterbes uit te groeien, zouden uit de hier voorhan-
den zijnde zaden 1000 boomen ontstaan, als ze gedu-
rende de kieming in gunstige omstandigheden geplaatst
waren. Maar hoe stelt men zich nu voor dat de vruch-
ten zouden vallen? Natuurlijk loodrecht naar beneden,
zoodat al de pitten vlak onder den boom komen te
liggen. Maar zouden dan wel alle 1000 pitten in zoo-
danige gunstige omstandigheden zijn, dat ze alle konden
kiemen? En, zoo ja, zouden ze alle tot boomen kunnen
opschieten? Geenszins. Vooreerst toch zouden op zulk
een klein plekje geen 1000 boomen kunnen staan en
in de tweede plaats neemt de oude boom het grootste
gedeelte van het licht, de lucht en den regen voor
zich, zoodat er voor de nakomelingen veel te weinig
zou overblijven. Veeleer zou de uitkomst zijn, dat van
de 1000 jonge Lijsterbesjes het grootste deel of nog
waarschijnlijker alle te gronde zouden gaan tengevolge