Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
194 Het vervoer van stuifmeel cloor dieren.
vijf helmvormige kleppen (/O, die den ingang der bloem
volkomen sluiten en door kleine Insecten niet uit elkan-
der kunnen worden gedrongen. Alleen Hommels, Bijen
en andere groote Insecten verstaan het, hunne mond-
werktuigen tusschen de aanhangsels te brengen. Bij de
knikkende Silene komen voor sommige Insecten aanlok-
kelijke, voor andere soorten afwerende inrichtingen voor,,
die al heel volkomen zijn. Ongevleugelde Insecten wor-
den eensdeels door de kleverige stengels der plant, ander-
deels door de klierharen van kelk en bloemsteel (VII)
buitengesloten. De plant wordt door nachtvhnders be-
stoven ; in verband daarmede geeft zij alleen 's nachts een
sterken welriekenden geur af en tegelijkertp zijn dan de
zuiver witte binnenzijden der bloembladen naar buiten
gekeerd. Maar over dag, als de dag-insecten rondvliegen,,
zijn de bloembladen naar binnen gevouwen en vertoonen
dan hunne vuilgroene, weinig opvallende buitenzijde aan
den aandachtigen onderzoeker. En ook geen geur zal
den in de duinen zoekenden botanicus op het spoor
brengen van de bloem die hare aanlokkelijkheden uit-
sluitend voor nacht-insecten uitspreidt.
De voorafgaande beschouwingen hebben ons geleerd,,
van welken aard de inrichtingen der bloemen zijn, waar-
door een zelfbestuiving zooveel mogelijk vermeden, en
omgekeerd een kruisbevruchting begunstigd wordt. Van
welke beteekenis die feiten zijn, werd vroeger (p. 127>
reeds uiteengezet. De schier oneindige vormverscheiden-
heid der bloemen, de plaatsing en stand der bloemdee-
len ten opzichte van elkander werden eerst door die
beschouwing voor ons verstaanbaar. Het eerste hoofd-