Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het vervoer van stuifmeel door dieren. 14.3
afgebeeld; bovenaan vertoont zich de dijring (r), daarop
volgt de dij (s), dan de scheen {t) en het eerste tarslid
alsmede de volgende leden (/") met de klauwtjes {k)
aan het laatste. Als orgaan voor de inzameling van het
stuifmeel dient zoowel het eerste tarslid (p) als de scheen
{<); in onze figuur zijn ze beide met stuifmeel bedekt.
Het eigenaardige van dit werktuig is gelegen in de sterke
beharing, alsmede in ds aanzienlijke breedte vooral van
het eerste tarslid. Het uitborstelen der korreltjes uit de
helmhokjes geschiedt door het meergemelde tarslid, ter-
wijl de op die wijze te voorschijn gebrachte stof hoofd-
zakelijk door de scheen wordt opgenomen en naar de
woning gebracht. By de hommels is de toestel nog vol-
komener (fig. 142, II). De scheen is hier aan de buiten-
zijde glad en rondom met lange, stijve uitstaande borstels
bezet. Deze begrenzen aan den buitenkant van de scheen
een holte, waarin het pollen, dat door het kortbehaarde
tarslid {p) is uitgeborsteld, bewaard wordt. — Bij de
honigbij eindelijk is het vergaartuig op gelijksoortige
wijze ingericht (fig. 142, Hl), maar de boi'stel aan den
tars is heel wat doelmatiger dan bij dèn hommel. Het
bestaat uit acht of negen rijen korte, stijve en glanzende
haren in tegenstelling met de hommels, waar die haren
onregelmatig geplaatst zijn. De regelmatige plaatsing
evenwel stelt de honigbij in staat om met veel meer
gevolg de helmhokjes te ledigen.
Het uitgeborstelde pollen wordt dus tusschen de haren
of aan de buitenzijde der scheen opgenomen, waar het
door zijn eigen kleverigheid gemakkelijk blijft hangen.
Is de inzameling lang voortgezet, dan groeit het zelfs
tot dikke, gele klompen aan, die den achterpoot voor
een goed deel inhullen. Met dezen buit beladen vliegt