Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het vervoer van stuifmeel door dieren. 14.3
worden. Hunne mondwerktuigen staan recht vooruit
en zijn lang; de tweelobbige onderlip is in den regel
sterk behaard en aldus geschikt voor het oplekken van
honig (fig. 136, I, H) ')•
3). Tweevleugelige Insecten. In vergelij-
king met de Kevers nemen de Tweevleugelige Insecten
als bloemenbezoekers een veel hoogere plaats in. Door
hunne grootere vlugheid hebben zij een belangrijk voor-
deel boven de kevers, die zich allen meer langzaam van
de eene plaats naar de andere voortbewegen.
Het getal Tweevleugelige Insecten is verbazend groot;
hier willen wij alleen eenige weinige beschouwen, die
voor de bestuiving der bloem van beteekenis zijn (fig.
137 en 138). Een der grootste en snelst vliegende is-
de Hommelvlieg (Bombylius major fig. 137, I), die met
haar langen vooruitstekenden snuit tamelijk diep liggen-
den honig weet te bemachtigen. Onder het opzuigen
van den nectar zweeft zij gedurende ettelijke seconden
vóór de bloem en blijft daarbij evenals de Avondvlin-
ders op een bepaalde plek staan. De Snipvliegen of
') In tegenstelling met deze boktorren, die de bloemen bezoeken, bezitten
de andere leden der groep, die in of op het hout leven, een niet versmald
halsschild en monddeelen, die niet naar voren, maar naar beneden gericht
zijn en ten derde minder sterk of in 't geheel niet behaarde kaakpalpen.