Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het vervoer van stuifmeel door den ivind. 138
noemt men pro tan drie en de bloemen, bij welke
dit voorkomt, p r o t a n d r i s c ii (cZ-P).
b. De stempels zijn kleverig, als de helmknoppen
. nog dicht z^n. Deze ontwikkelingsgang, waarbij de
stempels rijp zijn vóór de meeldraden, duidt men aan
door het woord: protogynie; bloemen, waarbij zij
voorkomt, heeten protogynisch (5-d').
Wil men echter alleen maar aanduiden dat meeldra-
den en stempel eener bloem niet op hetzelfde tijdstip
rijp zijn, dan bedient men zich van den term d i c h o-
g a m i e en noemt de bloemen, die dit verschijnsel ver-
toonen, d i c h O g a m i s c h.
Indien nu eens alle individuen van een zekere plant-
soort met dichogamische bloemen terzelfder tijd gingen
bloeien, dan zou van bestuiving in 't geheel geen
sprake kunnen zijn. Maar dit is geenszins het geval.
Zien wij b.v. maar op een weiland rond, waar talrijke
exemplaren derzelfde plantsooit bij elkaar staan, dan
bemerken wij in het begin van den bloeitijd enkele
die het vroegst zich ontwikkelen en gaan bloeien, als
de meerderheid nog slechts bloemknoppen vertoont;
daarna volgt de groote massa, en daarna als bijna
alles is uitgebloeid, eenige achterblijvers, die dan pas
hare bloemen openen. Deze ongelijktijdige ontwikkeling
der individuen wordt door allerlei omstandigheden ver-
oorzaakt. Zoo bezitten sommige individuen een voordeel
door de aanwezigheid van het water of door een open
standplaats, waardoor zij meer aan de zoimestralen zijn
blootgesteld, of wijl zij op een beteren bodem staan
of omdat de kieming om deze of gene reden sneller
is afgeloopen. Maar ook de schijnbaar geringste af-
wissehng in uitwendige omstandigheden is van betee-