Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het vervoer van stuifmeel door den ivind. 131
1. De inrichtingen voor kruisbevruchting.
1. Bloeitijd. Tot de planten met windbloemen
behoort een groot aantal van onze loofboomen, b.v. de
meeste Katjesdragende gewassen, de Berk, de Hazelaar,
de Populieren; verder de Iep, de Eik en andere. Bij
deze planten ontwikkelen zich de bloemen vroeger dan
de bladeren; reeds vóór de ontplooiing der knoppen
staan de boomen in vollen bloei. Slechts bij eenige ont-
wikkelen zich bloemen en bladeren tegelijkertijd.
De genoemde planten bloeien zeer vroeg in hetvooj--
jaar. De Hazelaar opent zijne bloemen reeds in het
laatst van Februari, de Esp, de Italiaansche Populier,
de Peppel, de Els en de Iep in Maart of April, de
Beuk, de Haagbeuk, de Berk en de Eik in April of
begin Mei, dus in een tijd dat de dampkring dikwijls
in heftige beweging is. Bij die bladerlooze planten kan
de wind het stuifmeel uit de hokjes schudden en mee-
nemen. Waren deze boomen in dien tijd reeds met
bladeren getooid, dan zou de wind ten eerste moeielijk
tot de aldus beschermde meeldraden kunnen doordrin-
gen, en ten tweede zou het pollen tusschen de bladeren
blijven hangen en hier ongebruikt vergaan, en in de derde
plaats zou het niet licht tot de eveneens verborgen
stempels kunnen komen.
2. Hoeveelheid stuifmeel. Bij planten met
windbloemen is de hoeveelheid, die elke bloem voort-
brengt, verbazend groot. Dikwijls wordt meer dan dui-
zendmaal zooveel voortgebracht, als noodig is om één
stamper te bevruchten. Nemen wij eens aan, dat van
een der zooeven genoemde planten in een zeker land
evenveel mannelijke als vrouwelijke bloemen voorhanden