Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bevruchting. 123
een vierzijdige korrel (fig. 119) vier zijn, een teedere
buis te voorschijn treedt. Hoe dit mogelijk is, leert
nevenstaande afbeelding van een pollenkorreltje der
basterdwederik (Epilobium angustifolium). Men ziet, elke
zijde is door de drie doorboorde uitsteekseltjes (k) min
of meer driehoekig en binnen in de korrel is een inhoud,
die bij onderzoek uit een weeke zelfstandigheid blijkt te
bestaan. Deze stof — de fovilla — valt te gemakkelijker
in het oog omdat er tal van kleine lichaampjes in zweven.
Dadelijk om deze fovilla zit een dun, doorzichtig en buig-
zaam vlies, en hier om heen de harde huid, waarvan vroe-
ger (p. 118) reeds werd gezegd dat zij allerlei teeke-
ningen en uitsteeksels, benevens enkele openingen kan
vertoonen. Wanneer nu het stempelvocht tot in de korrel
doordringt, zwelt deze op en wordt daardoor het bin-
nenste vlies, schoon zonder te bersten, Aveldra door een
der openingen (bij k) naar buiten gedrongen en vormt
zoodoende de stuifmeelbuis. De stuifmeelbuis nu
wordt voortdurend langer en dringt al groeiende den
stempel en later den stijl binnen. Hoe langer de stijl is,
des te langer wordt ook de buis, wijl zij eindigt met in
de holte van het vruchtbeginsel aan te komen. Daarbij
merkt men op dat de inhoud met de celkern, die vroe-
ger in de pollenkorrel zat, zich steeds meer naar bene-
den verplaatst en het onderste gedeelte der stuifmeelbuis
opvult, terwijl haar bovenste gedeelte gaandeweg uit-
droogt. Thans buigt zich de stuifmeelbuis naar den zaad-
knop toe en bereikt het poortje (fig. 1201). Het poortje
(II p) is een kleine opening aan de oppervlakte van den
zaadknop, waardoor de kern, die grootendeels door 1
of 2 vliezen wordt bekleed, met de buitenlucht in ge-
meenschap staat. Xu ontstaat er in de oorspronkelijk