Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
118 Be bevruchting.
ronde opening vertoonen. Bij andere planten, b.v. het
Europeesche Mansoor is de oppervlakte van de pollen-
korrel niet volkomen glad, maar met vele ruwigheden
voorzien. Ook zijn er pollenkorrels (het kleine Hoef-
blad H), die met vele, sterke stekeltjes bedekt zijn.
Bij het Leverbloempje zijn ze niet bolrond, maar gerekt
en afgerond (ovaal). Andere vormen dan de genoemde
zijn zeldzaam. Merkwaardig zijn nog de stuifmeelkor-
rels der Naaldboomen, b.v. den Den (Hl). Zij zijn ver-
lengd en bezitten aan hare beide uiteinden een vliezig
zakje, aan welks oppervlakte zich een netvormige tee-
kening bevindt. Deze zakjes of blaasjes zijn met lucht
gevuld en maken het korreltje geschikt om door den
wind gedragen te w'orden en langen tijd in den damp-
kring te zweven, zonder te vallen.
Bij sommige planten (b.v. Orchis en Asclepias) vallen
de stuifmeelkorrels bij het openspringen der helmhokjes
niet uiteen, maar blijven door een elastische massa
met elkaar verbonden. Een zoodanige, samenhangende
pollenmassa noemt men stuifmeelklomp.
Het aantal stuifmeelkorrels door ééne bloem voort-
gebracht is zeer groot. Daar de korreltjes zoo klein
zijn, dat wij ze met het ongewapende oog nauwelijks
kunnen waarnemen; daar wij verder opmerken, dat
b.v. bij het schudden van een bloeienden Hazelaar zich
groote wolken van het witgele stuifmeel ontlasten, springt
het voldoende in 't oog, dat zich in ééne bloem een
waarlijk verwonderlijk aantal korreltjes moet vormen.
Vangt men op een stuk zwart papier een weinig stuif-
meel uit een katje van den Hazelaar op, dan vertoonen
zich ook aan het bloote oog de pollenkorrels als uiterst
kleine stipjes, waarvan het natuurlijk onmogelijk is, het