Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bevruchting. 115
een ander slechts vrouwelijke bloemen, dan wordt de
plant tweehuizig genoemd. — Bij sommige planten
komen nochtans ook bloemen zonder meeldraden en
stampers voor (geslachtlooze bloemen), zooals bij
den Sneeuwbal of Geldersche roos en de Hortensia,
maar uit zoodanige ontwikkelen zich nimmer vruchten.
Zij komen trouwens nooit alleen aan wildgroeiende
planten voor, maar altijd in vereeniging met andere.
1. De bloembekleedselen.
Uit de opmerking, dat de bloembekleedselen geen
wezenlijke deelen der bloem zijn, mag volstrekt niet
worden afgeleid, dat zij overbodige deelen zijn.
Elk onzer zal bijvoorbeeld dadelijk inzien, dat de fraaie
blauwe bloemkroon van het klokje (fig. 115) een soort
van scherm is voor de deelen, die zij omgeeft, nm. de
meeldraden en den stamper. Daardoor worden deze
tegen weer en wind beschut. Men heeft bevonden, dat
het stuifmeel zeer spoedig be-
derft, wanneer dit door regen-
droppels bevochtigd wordt. Maar
hier wordt het natworden vol-
komen door de klokvormige
kroon tegengegaan. In de figuur
is de bloem dezer plant zoo ge-
teekend, als zij in den natuur-
lijken stand door den rechtop-
gaanden stengel (a) gedragen wordt. De bloemsteel (s)
is namelijk zoodanig omlaag gekromd, dat de bloem
afhangt en haar opening dus naar beneden gekeerd is.
Denken wij ons dat bij een regenbui de droppels lood-