Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
108 De aanhangselen der opperhuid.
zijn bedekt met talrijke spitse haren, die zeer gemakke-
lijk in de dierlijke huid indringen en, bij den mensch
althans, een onverdragelijke jeukte veroorzaken.
Komen haren aan vruchten en zaden voor, zooals
dikwijls het geval is, dan dragen zy er belangrijk toe
bij om deze gemakkelijker te doen verspreiden. In het
hoofdstuk gewijd aan de Biologie komen wij op dit punt
uitvoeriger terug.
Een geheel andere verrichting hebben de wortelharen.
Gelijk wij weten, heeft het opnemen van water door
middel van de wortels plaats; nadere beschouwing doet
kennen dat de wortelharen daarbij de hoofdrol vervullen.
Deze toch leggen zich zoo dicht mogelijk tegen de
deeltjes der aarde aan, ja groeien er geheel mee samen,
zoodat bij het uitrukken eener plant uit den bodem de
meeste wortelharen worden teruggehouden. Deze innige
samenhang van de wortelharen met den bodem en tevens
de dunheid van hun wand maken dat het water met de
daarin opgeloste stoffen van den bodem, gemakkelijk
in hen doordringt om van daar in de wortels zeiven te
geraken (vgl. p. 43).
Ten slotte merken wij op, dat men tot de aanhang-
selen der opperhuid ook rekent die deelen welke bij de
plantkundigen onder den naam wratten, schub-
ben en stekels bekend staan. Alleen over laatstge-
genoemde nog een woord. Stekels komen b.v. voor bij
') In de laatste jaren is ook het water-opnemend vermogen van blad- en
stengelharen herhaaldelijk aangetoond. Vooral in tropische klimaten z(jn
allerlei planten met zulke haren toegerust. Onder den naam van waterklieren
beschreef een Oostenryksch geleerde kort geleden kleine organen die het ver-
mogen hebben zoowel om overvloedig water uit te scheiden als uit de om-
geving op te nemen als de plantendeelen (bladeren) te veel vocht hebben
verloren.