Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
106 De aanhangselen der opperhuid.
wordt elk bloempje door twee kroonkafj e s ingehuld,
•en eenige bloempjes bij elkaar — een aartje of bloem-
pakje — door twee kelkkafjes.
YI. DE AANHANGSELEN DER OPPERHUID.
Zoolang een plantendeel (blad, stengel, wortel) sappig
is, wordt het bedekt door een dun en doorzichtig vlies,
dat men opperhuid noemt. Bladeren nu bevinden
zich altijd in genoemden toestand, zij hebben dus altijd
een opperhuid; stengels en wortels evenwel worden,
zoo zij langer dan een jaar leven, gewoonlijk veel
minder sappig, aangezien zij grootendeels verhouten. In
verband met die verandering in geaardheid heeft een
afwerpen der opperhuid plaats. De opperhuid nu is,
onverschillig welk deel der plant zij inhult, de zetel
van allerlei aanhangsels, waarvan de meest gewone de
haren zijn. De haren zijn het die vele bladeren en
stengels met een fluweelachtig of een wollig kleed over-
trekken, zij zijn de oorzaak dat vele deelen der plant
eigenaardig berijpt zijn of wit schijnen, terwijl het
onderzoek van het deel zelf leert dat het inwendig ge-
heel groen is. Alleen door gebruik te maken van een
microscoop kunnen wij den vorm en de andere eigen-
schappen der haren leeren kennen. Wat de gedaante
aangaat, zijn de blad- en stengelharen gewoonlijk cilinder-
vormig met spits toeloopenden top. Niet zelden is ook
de top kogelvormig verdikt, b.v. aan bloemstelen of
aan den bloemkelk. In dat geval scheidt het kopje
een kleverig vocht af, en spreekt men van klier dra-
gen de haren.
Terwijl men vele stengels en bladeren vindt zonder