Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bloem. 89-
komt voor bij Meloenen, Komkommers en Augurken.
13) De pitvrucht is een vleezige, meerhokkige,
veelzadige, niet-openspringende vrucht. De vruchtmaand
laat duidelijk drie lagen onderscheiden: een buitenste
vliezige, dan een vleezige en als derde een hoornach-
tige, die de hokjes omsluit. De pitvrucht komt voor
bij Appels en Peren. Eigenlijk zou men deze vrucht
naar de schijnvruchten moeten overbrengen, omdat de
bloembodem in zijn geheel aan hare vorming heeft
meegewerkt, men is evenwel gewoon de onderstandige
vruchten tot de echte te rekenen.
14) De vleezige doosvrucht komt zelden voor.
Haar wand is wel vochthoudend, maar niet bepaald
week. Als voorbeelden noemen wij de Okkernoot en
de Paardekastanje; terwijl eerstgenoemde nog het meest
met een steenvrucht overeenstemt, doet de andere meer
aan een doosvrucht denken.
Ovei-zicht der echte vruchten
(door den leerling in te vullen).
I. D r o g e v r u c h t e n:
A. Niet openspringend.
1. Vruchtwand dun en taai, vast met het
zaad vergroeid..............
2. Vruchtwand dun maar harder, niet
met het zaad vergroeid.........
3. Vruchtwand dik, hard en houtig, het
zaad ligt er los in............
B. Bij de rijpheid zich splitsend in twee of meer
deelen, die elk een zaad insluiten (splitvruchten).
* Gevleugeld.....