Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
-82
De bloem.
andere bloemdeelen hebben bijgedragen. De zoodanige
noemt men schijnvrnchten, ook wel valsche
vruchten. Voorbeelden van schijnvrnchten zijn de
rozebottel, de aardbezie en de schijnbessen van den
Duindoorn. De rozebottel, de vrucht der roos, bestaat
uit een rood en vleezig hulsel, waarbinnen verscheidene
harde in een kuif uitloopende lichaampjes verborgen
zijn. Het roode hulsel is niet de vrucht, maar wel
de verder uitgegroeide en vleezig geworden bloem-
bodem, terwijl de harde lichaampjes de vruchtjes
zijn. — Bij de aardbezie groeit de bloembodem tot het
roode, sappige en smakelijke deel uit. De harde kor-
reltjes, die men in grooten getale aan de oppervlakte
vindt, zijn hier de vruchtjes, waarin de zaden zijn opge-
sloten. Roos en aardbezie bezitten dus eigenlijk weer
verzamelingen van vruchten.
De Duindoorn eindelijk laat de buis van het perian-
thium als hulsel voor de dopvrucht meerijpen, die daar-
door het voorkomen van een bes erlangt.
Keeren wij thans tot de eigenlijke vruchten terug.
AVanneer wij dus van vruchten spreken en de eigen-
schappen er van nagaan, rekenen wij de zaden niet mee •
wij hebben dus alleen den wand, den vruchtwand met de
tusschenschotten, zoo die aanwezig zijn, op het oog.
De vruchtwand nu kan dun of dik zijn, vleezig (sappig)
of droog. Bij de vleezige vruchten laten zich dri&
verschillende lagen aan den vruchtwand onderschei-
den, die dan als buitenste, middelste en binnen-
ste worden betiteld. Bij een pruim b. v. zijn ze ge-
makkelijk te herkennen. Hier is de schil de buitenste,,
het vleesch de middelste, en de steen de binnenste laag.
Bij de droge vruchten maakt men die onderscheiding: