Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
ondiepe plaats had , waar men , slechts tot de schouders in
het water , naar het eiland waden kon. Hij legde dus zijne
wapens en zijn jachthemd af, en was na lang zoeken ge-
lukkig genoeg, de stee te vinden en met zijne beide mak-
kers het eiland te bereiken, waar zij na de vermoeienissen
der laatste dagen hoopten uit te rusten.
Gelijk al spoedig in het oog viel , was het eiland zijn ont-
staan aan eenige drijvende boomstammen verschuldigd , die
zich hier met hunne wortels op den bodem der stroombedding
hadden vastgezet, en tegen welke vervolgens nog andere
boomen met hunne takken en bladen waren aangespoeld.
De tusschenruimten tusschen deze stammen hadden zich na
verloop van tijd met gras, biezen en andere planten aan-
gevuld , zoodat het geheel langzamerhand een vasten bodem
had verkregen, wiens randen met hoog riet en dicht wil-
genhout ber^t waren. Het kleine eiland had eene lengte
van tien, eene breedte van vijf tot zes voet en onttrok
ieder, die zich daarop neerlegde of ook maar knielde , aan
het oog van hen , die aan de oevers waren.
De drie mannen waren verheugd , dit plekje gevonden te
hebben , en legden zich, na het stillen van hun honger en
hun dorst, al dadelijk tot slapen neder. Zij hadden mis-
schien een half uur gerust, toen zij door een vreemd ge-
ruisch gewekt werden. De stroomoevers waren met hooge
wilgen en populieren bezet, waartusschen dicht kreupelhout
opschoot, en slechts op éene plaats was de noordelijke oever
van geboomte en struikgewas ontbloot, daar de kudden
wilde paarden en buffels zich hier een breeden weg naar
het water der rivier gebaand hadden. Door deze opening
kon men, op het eilandje zijnde , een groot deel van de
prairie overzien, die zich ten noorden van de rivier uit-
strekte. Van daar liet zich nu eensklaps een luid heesch
blaffen hooren , waarin de ervaren jagers dadelijk den toon
herkenden, met welken de wolven doorgaans fain roof ver-
volgen. Het duurde dan ook niet lang, of het gejaagde