Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
karabijn zal hem wel mores leeren." Niettegenstaande dit
zgn goed vertrouwen, voelde de oude vuureter toch, even
als al zijne wapenbroeders, eene zekere drukking op de
borst, toen hij den wakkeren jongman zag verdwijnen tus-
schen de hooge rotsen, die den hollen weg insloten en zich
in het toenemend schemerdonker als zwarte wangedrochten
vertoonden.
De eerste oogenblikken van den beklemmenden angst te
boven , die bij het vooruitzien van een onbekend , geheim-
zinnig gevaar ook de stoutmoedigsten overvalt, had onze
held uit de Pyreneeën intusschen al zeer spoedig zijne
gewone bedaardheid en koelbloedigheid teruggekregen. Om
niet in den rug te worden aangevallen , ging hij tegen de
rots staan en zoo , de bloote sabel in de rechter hand en
de karabijn onder den linker arm houdend , volgde hij met
den blik des geoefenden jagers de zachte golvingen , welke
de avondwind in het hooge heidekruid deed ontstaan. Te-
gelijk luisterde hij met scherp oor naar het gonzen der
insecten en de vlucht der nachtvogels, die zich op de
klippen nestelden. Werd deze vlucht sneller, hield het
gonzen der insecten op , bogen de toppen der struiken en
stengels zich dieper neer , dan bracht hij het oor dadelijk
laag aan den grond, om te vernemen, of zich ook de
voetstap van een vijand liet hooren. Intusschen bemerkte
hij niets , dat hem verdacht voorkwam.
Er was misschien reeds een uur verstreken , toen Tribard
meende te bespeuren , dat zich op eenigen afstand de bo-
venste toppen van het heidekruid in eene andere richting
dan die van den wind bewogen. Onmiddellijk daarna ving
zijn scherp oor een dof geluid , als het knorren van een
zwijn , op , en spoedig zag hij op de naakte heide zich een
donker, zwart lichaam bewegen , dat beurtelings stilstond
of, als een grazend dier, met onregelmatige rukken van
plaats veranderde.
Tribard wilde aanleggen; doch daar hij met volkomen