Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
boren Elsasser, gekozen. Hij was getrouwd en had twee
kinderen, van welke het oudste, een frissche, bloeiende
knaap van acht jaren, met het trekken van de loten
werd belast.
Terwijl de knaap , trotsch op de hem opgedragen taak ,
zich onder het oog des vaders met veel ernst en deftigheid
daarvan kweet, volgden de omringende manschappen met
zichtbare spanning tot zelfs de minste van zijne bewegingen.
Slechts enkele vroolijke, opgewekte jonge mannen brachten
door een gekkend woord van tijd tot tijd eenig leven in
den zwijgenden kring.
„Opgepast!" zei nu een jong, jolig soldaat, zekere
Tribard , wiens uitspraak aan de Garonne of aan de Pyre-
neeën herinnerde , tot zijn welgevoeden nevenman , die juist
uit het gelid voortrad , om op zijn beurt zijn lot te trekken.
„Allen, die tot nu toe geloot hebben, zijn den duivel zeker
te mager geweest; maar gij zoudt net een vette hap naar
zijn smaak zijn."
Een algemeen gelach , door do tegenwoordigheid der offi-
cieren en het ernstige van de zaak slechts ten halve ge-
smoord , ging door de gelederen , terwijl aller oogen op het
betrokken gezicht van den dikken kameraad gericht waren.
„Zult ge den mond houden, vlasbaard?" riep Pierre
verdrietig; want twintig namen waren reeds getrokken,
zonder dat het beslissend nommer te voorschijn was ge-
komen , en het gezicht van don ouden gediende werd don-
kerder , naarmate het getal der loten afnam. Hij dacht
aan zijne kinderen en aan zijne vrouw , die tegenwoordig
was en met gerekten hals haar zoontje moed toewenkte,
zoo vaak weer een papiertje door zijne kleine hand ging.
Om die reden zag de oude soldaat dan ook het dreigend
gebaar niet, waarmee de jonge Tribard dat krenkend
„Vlasbaard!" had opgenomen.
Eindelijk werd Pierre's naam opgeroepen; hij schrikte,
werd bleek en trilde als een mensch, dien een electrieke