Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
„Nu dan," riep de Jarocho; „zeg aan Campos, dat Carlos
uit Manantial hier is."
„En vraag hem meteen," voegde de loods er stout bij,
„of hij zich den naam van Ventura uit Boca del Eio nog
herinnert ?"
Een doordringend fluiten volgde, waarop achter ons een
tweede antwoordde, dat ons bewees , dat beide oevers bezet
waren. Eenige weinige seconden schenen ons jaren toe.
Eindelijk onderscheidden wij de omtrekken van menschelijke
gedaanten op de rotsen boven ons; wij hoorden dreigend
geschrei, en het flikkerend licht van eenige fakkels spie-
gelde zich in het water. De loods aarzelde niet langer ,
op de bandieten vuur te geven ; doch deze hadden het voor-
deel van eene gunstiger stelling en veel geduchter wapens.
Eerst werd het schot van den loods door een ander beant-
woord en toen een zwaar rotsblok in het water neerge-
stort, dat onze boot met een regen van schuim besproeide.
De loods stiet een luiden, gillenden angstkreet uit; maar
tegelijk voelden wij , dat de boot geweldig slingerde, van
de haar vasthoudende takken losgerukt en met snelle vaart
stroomaf gevoerd werd. Toen ik weer tot volle bezinning
kwam, was Ventura niet meer bij ons. Ik riep hem meer-
malen ; maar niemand antwoordde. Eindelijk zeide Carlos
met bewogen stem : „Hij is verloren ! Hebt gij zijn laatsten
kreet niet gehoord ? Zeker ligt zijn lijk nu al in de diepte.
Wij moeten ons dus zonder hem zien te redden."
Eene overhaaste vlucht was voor ons nu het eenig middel
tot behoud. De Jarocho had weer naar de riemen gegre-
pen , en wij dreven met snelle vaart stroomaf, terwijl zich
heinde en ver geen ander geluid, dan de regelmatige riem-
slag van mijn lotgenoot liet hooren. Hadden onze vijanden
ons spoor verloren of wachtten zij ons misschien aan den
ingang van het smalle kanaal op, naar 'twelk wij met
verdubbelde inspanning terugroeiden ? Welk lot ons ook
wachten mocht, aan terugkeeren was niet meer te denken.
5