Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
63
vreezen , dan kan de storm toch licht een ouden boom ont-
worteld hebben en in 't water geslingerd. Als zoo een ons
in do zijde treft, moet onze boot noodzakelijk omslaan,
't Is echter een leelijk ding , op deze hoogte over boord te
vallen , daar 't zeewater bij hoog tij wel tot hier komt en
haaien meebrengt."
Deze waarneming maakte mij op een gevaar opmerkzaam,
waaraan ik niet in de verste verte gedacht had , en onder
de toenemende moeilijkheden dezer nachtreis dacht ik met
een dubbel pijnlijk gevoel aan de uren van rüstigen slaap ,
die ik mij in mijn logement in Vera-Cruz had kunnen
gunnen.
Carlos liet zich de waarschuwing van den loods niet
tweemaal zeggen en pakte met verdubbelden ijver den riem.
Wij hadden nu weldra eene stee bereikt, waar de oevers
dier rivier bijzonder steil en opeengedrongen waren. Dichte
slingerplanten hingen aan beide zijden van den hoogen
boord tot op de oppervlakte des waters neer en slingerden
in den wind. Eenige passen verder vernauwde de bedding
zich zoo, dat de riemen geen speelruimte genoeg meer
hadden , en de loods de boot niet anders dan met behulp
van een ijzeren haak , waarmee hij zich aan de slingerplanten
vasthield, tegen den forschen stroom op kon trekken.
Spoedig echter liet eene broeder plaats weer het gebruik
der riemen toe ; maar naar gelang de oevers zich verwijdden ,
namen zij ook voortdurend in steilte toe. Ontzettende rotsen ,
welke de stroom langzaam ondermijnd had , hingen als de
bogen eener vervallen brug over de rivier , en ieder riem-
slag riep onder dat steenen gewelf eene lujde echo wakker.
Wij roeiden op goed geluk in de dichte duisternis op,
zonder te weten , of wij niet zoo , zoo tegen den rotswand
zouden stooten.
„Hier moest men kattenoogen hebben, om den weg te
vinden ," riep Ventura.
„Zal het nog lang zoo duren?" vroeg Carlos.