Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
„Dat is de vraag nog," antwoordde de loods. „Ver-
raders en spionnen heeft men overal. Als een der strand-
roovers , die wij op de vlucht joegen, iets van onze plannen
vermoedt, kunt gij verzekerd zijn , dat zijne makkers dat
tijdig genoeg vernemen , om zich nog dezen nacht op eene
mij welbekende plaats van onzen weg in hinderlaag te
leggen. Wij hebben nu reeds twee uren geroeid en zijn
niet heel ver meer van de plaats. Gij weet nu, wat gij te
vreezen hebt, en moogt nu ieder zelf oordeelen, of 't raad-
zaam is , door te roeien of aan land te gaan en den dag af
te wachten."
„Ik wil zoo weinig mogelijk tijd verliezen," zeide de
Jarocho. „Als wij duchtig de riemen gebruiken, hebben
wij in een uur Campos' dorp bereikt."
„Zooals ge verkiest," antwoordde Ventura. „Vooruit
dan en op God en de heiligen vertrouwd !"
Een bang stilzwygen volgde op deze mededeeling van den
loods. Daar ik nu de gevaren kende, die wij tegemoet
gingen , zette ik mij voor in de boot neer , om zoo mogelijk
eene ons dreigende hinderlaag tijdig te ontdekken ; maar in
de dichte duisternis zou het ook 't scherpste oog onmogelijk
geweest zijn, iets te onderscheiden. Het bladerdak der
boomen wierp een ondoordringbaren sluier over de stroom-
bedding ; geen ster was door het dicht gebladert aan den
hemel te onderkennen , en alleen het ruischen van het riet
en van de slingerplanten , die aan de riemen bleven hangen,
alsmede het klagend huilen van den sjakai stoorden van tijd
tot tijd de beklemmende stilte van het woud. Toen onge-
veer nog een kwartier verloopen was , zonder dat iets don
argwaan van den loods had gerechtvaardigd , liet de Jarocho
den riem eenige oogenblikken rusten , om adem te scheppen ;
doch de sterke strooming di'aaide de boot om , zoodat die
dwars over het water kwam te liggen.
„Houd in Gods naam de boot recht!" waarschuwde de
loods. „Al hebben wij dan ook van menschen niets te