Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
krachtige riemslagen mijner beide makkers en door den vloed
ondersteimd over de donkere watervlakte te glijden. Op
beide oevers wisselde de indrukwekkende stilte der Ameri-
kaansche wildernissen met het akelig loeien van den storm
af. De bedding der rivier was zeer onregelmatig; op het
eene punt verwijdde zij zich en deelde het kielwater haar
in twee gelijke helften ; op het ander werd zij weer smaller
en schoot de snelvlietende stroom tusschen hooge en steile
oevers onder een dicht looverdak van mahagonieboomen,
palmen en ceders door , van welke woekerplanten van allerlei
soort op ons neerhingen. De zeewind vermengde nu en dan
zijn doordringenden reuk met de aangename geuren der
zich ver over den stroom uitstrekkende oleandersti'uiken.
Met verrukking gaf ik mij aan het genot van dit grootsche
natuurtooneel over en vergat daarbij geheel het doel van
onzen nachtelijken tocht, tot eene opmerking van den loods
mij in de nüchteren werkelijkheid terugriep.
„Ieder mensch heeft hier op aarde zijne benijders en
vijanden ," zeide Ventura. „Ik voor mij ken meer dan een ,
die blij zou wezen , als hij mij op dit uur door eene wildernis
zag trekken, waarin tot nu toe nog geen alcalde een voet
gezet heeft."
„Zijn wij dan niet gewapend ?" vroeg Carlos. „Rekent
gij uw karabijn voor niets , en mijn degen , en de pistolen
van mijn vriend ?"
„Op 't open veld konden die wapens ook zeker van groot
nut zijn ; maar hier zouden zij ons tot niets dienen. Een
man , die tusschen de takken der over ons neerhangende
boomen verborgen zat, kon met het grootste gemak uitkippen ,
wien van ons hij een kogel door den kop verkoos te jagen;
of een in den stroom geworpen boomstam kon onze boot
omver werpen , als hij haar niet te gronde deed gaan. Wat
dunkt u daarvan ?"
„Er valt zeker niets tegen in te brengen; gelukkig weet
echter geen mensch iets van onzen tocht."