Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
eigende hij zich slechts verscheiden kisten met lersch linnen
toe. Toen de zaak op deze wijze tot tevredenheid van al
de kustbewoners geregeld was, sleepten deze ieder zijn
aandeel met zulk een haast weg , dat het strand al spoedig
geheel eenzaam en verlaten was.
Ventura, Carlos en ik konden nu met elkaar overleggen,
op wat wjze de wraaktocht tegen Campos moest ondernomen
worden. Er werd afgesproken, dat wij na een uur aan den
rivieroever op eene door den loods aangeduide plaats zouden
samenkomen ,- en terwijl deze zijn buit in veiligheid bracht,
ging ik met Carlos naar het dorp , dat slechts weinig mi-
nuten ver lag. Na een eenvoudig, maar stevig maal,
waaraan wij groote behoefte hadden , gingen wij vervolgens
naar de plaats, waar Ventura ons vinden zoude.
8. EENE GEVAARVOLLE VAART.
In eene kleine , door hooge wilgen overschaduwde bocht
vonden wij den loods bezig, de riemen in orde te brengen
van eene boot, die nog aan den oever vastlag. Ik beken,
dat ik tegen het vermoeiende van een marsch door het dichte
hout had opgezien , en zag dus met groot genoegen, dat
wij onzen tocht te land en niet te water zouden ondernemen.
Toen ik dit aan Ventura te kennen gaf, antwoordde hij mij :
„Hier te lande kennen wij slechts twee manieren van reizen,
te paard en te water. Het te voet loopen laten ^ij aan
de vreemdelingen en aan 't schooiersvolk over. — Gij weet
toch met den riem om te gaan?" vervolgde hij, zich tot
Carlos wendende.
Deze knikte toestemmend, en ik als passagier breidde
mijn mantel op den bodem uit en legde mij daarop neer ,
om tegen den wind beschut te zijn. Hoewel wij reeds
tamelijk ver van de monding der rivier verwijderd waren ,
had die toch eene aanmerkelijke breedte en sloeg hooge
golven. Wij staken af en begonnen weldra onder de