Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
standbeeld op den witten achtergrond der schuimende golven
af en boden een viitmuntend mikpunt aan. Het schot ging
los ; wij zagen den ruiter waggelen en onmiddellijk daarop
in de golven verdwijnen. De andere bandieten namen nu
spoedig de vlucht , zonder een tweede schot af te wachten.
Na weinig oogenblikken kwam een man aan land zwemmen;
't was de aanvoerder van de bende. De kogel, hem door
Ventura toegedacht, had alleen zijn paard getroffen. De
loods liep hom tegemoet, om hem den weg af te snijden,
en er volgde eene hevige worsteling tusschen de beiden.
Op het oogenblik, toen wij bij hen kwamen, om hen te
scheiden, was de kamp reeds beslist; de roover had den
loods op den grond geworpen , maar zijn dolk was gelukkig
bij diens kleederen afgegleden, 't Was niet meer mogelijk,
den bandiet in te halen , die ijlings gevlucht was en zeker
waande , zijn aanvaller gedood te hebben.
„Ik heb hem niet kunnen pakken," zeide Ventura , terwijl
hij opstond en zijn lichaam betastte; „maar dat doet er
niet toe, want ik heb hem herkend, 't Is Campos, die
schurk ! Gelukkig ben ik niet gekwetst, schoon 't een wonder
is , dat de schoelje mij niet met zijn scherp mes door en door
heeft gestoken, 'k Mocht maar weten, wiens paard het is,
dat hij heeft meegepakt, om te sneller weg te komen."
„Zeidet gij niet, dat de kerel Campos heet?" vroeg Carlos
op eens , den loods driftig bij den arm grijpende ; „Tereso
Campos ? "
„Ja, Tereso Campos heet hij."
„'t Is hij dan, dien ik zoek," riep.de Jarocho.
„Gij zoekt hem?" vroeg Ventura. „En waarom dat?"
„Om hem mijn zwaard door het lijf te jagen," ant-
woordde Carlos ernstig eïT vast.
„Nu goed , ik neem op mij , hem morgen in uwe handen
te leveren , en als de eigenaar van het paard , dat de schurk
heeft meegepakt, ons helpen wil, zou't al een wonder zijn,
als hij ons ontsnapte."