Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
menten zeer dikwijls als de eerste offers vallen, wachtten
zij het begin van den strijd niet af, maar maakten zich
ijlings uit de voeten. Toen kwam op eens eene vrouw
door de menigte dringen, in wie ik weldra de moeder
van mijnen gastheer herkende. Met krachtige woorden
riep zij haren zoon zijn eed in het geheugen, dien hij op
het punt stond te breken. „'tIs zonde en schande," kreet
zij , „dat gij u tegen uwe gelofte in een strijd inlaat,
terwijl uw vermoorde broeder nog niet gewroken is."
Het was duidelijk te zien, dat deze ontijdige inmenging
mijnen vriend Carlos erg verdroot, en hij gaf zich dus alle
moeite om haar tot zwijgen te brengen; maar zijne moe-
der hield vol, hem aan zijne verplichting te herinneren,
en gaf hem op al zijne tegenwerpingen hetzelfde antwoord.
„ Waarachtig, moeder ," zeide Carlos eindelijk op trouw-
bar tigen toon, „ge weet niet, wat ge zegt, en miskent
mijne goede bedoeling; want alleen in 't belang van den
afgestorvene handel ik zoo. Als ik zijn moordenaar zeker
treffen wil, is het dan niet noodig, dat ik mijne hand
oefen ? En nu wilt gij mij dat zoo beletten!"
„ En als u die hand nu werd afgehouwen," riep de
moeder ; „ wie zou dan mijn vermoorden zoon wreken ?"
„Daartegen valt zeker weinig te zeggenantwoordde
Carlos; „maar om 't even, de vrouwen moeten zich niet
in dingen mengen, die zij niet verstaan. Laat dan een
ander mijne plaats innemen ," voegde hij er verdrietig bij ;
„ingeval namelijk mijne partij daarmee tevreden is."
Den hoed op een oor, de hand op de greep van zijn
zwaard en 'trechter been vooruit gestoken, boog die tegen-
partij zich met majestueuze deftigheid en sprak: „Weet gij ,
waarom mij 'teigenlijk bij de gansche zaak te doen is?
Ik wil niet, dat de menschen zeggen zullen , dat wij een
feest vierden, zonder het waardig te besluiten. Welaan
dan , ik ben bereid om met ieder , wie 't ook zij , tegen eene
flesch Catalonischen brande^vijn om het eerste bloed te spelen."