Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
gemurmel eener kleine beek, terwijl de verder verwijderde
tonen der mandoline en het gelach der vrouwen ons aan-
duidden , dat het dansgezelschap nog lustig was. De
Jarocho zweeg en ook ik gaf mij aan de bespiegelingen
over, tot welke de tropenlanden zoo rijke stof aanbieden.
Eindelijk vroeg mij Carlos — zoo was de naam van mijn
gastheer — op ernstigen toon : „Ziet gij daar den witten
nevel, die den glans der sterren verdonkert ? Dat zijn de
dampen , die op 't eind der heetste dagen uit de meren,
beken en watervallen opstijgen. Zult gij 't wel yoor mogelijk
houden , dat die doorzichtige nevelsluier zich op het bevel
van een sterfelijk wezen tot het beeld van een afgestorven
vriend verdichten en ons in deze gedaante verschijnen kan?"
„Daar twijfel ik aan," antwoordde ik, verbaasd over
deze inleiding.
„Dan wil ik u bewijzen , dat dit wel mogelijk is," ging
Carlos voort. „Voor nu ongeveer zes maanden ontstond
op een feest, waaraan ik toevallig niet deel nam, een
twist, die den dood ten gevolge had van mijn broeder.
Op mij , als naasten bloedverwant , lag de verplichting,
om zijn dood te wreken. Was 't er eenvoudig om te doen
geweest, met den degen in de hand voor het vergoten bloed
rekenschap te vorderen, dan had de zaak geen bezwaar
gehad; maar ik moest het verborgen spoor van den moor-
denaar , wiens naam ik alleen kende, uitvinden en daartoe
in alle dorpen in den omtrek rondzoeken. Toen dat alles
mij niets hielp , verflauwde mijn ijver , en eindelijk zocht ik
den dood mijns broeders maar te vergeten. Nu echter begon
mijne oude moeder mij aan mijn. plicht te herinneren. Vandaag
voor acht dagen sprak zij weder over den doode en zei tot
mij : „De dooden hebben een beter geheugen, dan de
levenden." Ik vroeg haar , wat zij daarmee meende , ofschoon
ik dat recht goed wist, en zij antwoordde mij hierop:
„Dat zult gij dezen avond vernemen." Op dien avond lag
ik , als nu weer , voor den drempel van deze deur en luisterde
3*