Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Na een langzamen en bezwaarlijken rit van een half uur ,
waarop ik bestendig door het lastig geschrei der papegaaien
vervolgd werd, zag ik op eenigen afstand voor mij een
ruiter. Op de manier der Jarocho's zich achteloos in den
zadel wiegend, reed hij langzaam door de schaduwrijke
krommingen van den weg, terwijl hij de armen driftig
bewoog en met alle teekens van gramschap de vuist nu en
dan ten hemel opstak. Hoogst verblijd , dat het toeval mij
een rampgenoot toezond , kwam ik na een krachtig gebruik
der sporen aan zijne zijde en groette hem. Zoodra hij mij
te zien kreeg , sloeg de wilde gramstorigheid, die hem
beheerscht had , in eene uitgelaten vroolijkheid over.
„Ben ik het mogelijk, die uw lachlust zoo opwekt?"
vroeg ik hem op barschen toon; want in mijne korzelige
stemming vond ik zulk luid lachen toch ongepast.
„Gij zelf volstrekt niet," antwoordde de Jarocho ; „maar
gij zult wel ten goede houden , dat het zien van uw paard
mij mijne gewone beleefdheid deed vergeten."
„Mij dunkt toch , dat mijn paard juist niet veel leelijker
dan het uwe is ," bromde ik , door deze woorden opnieuw
beleedigd.
„Dat is waar," zeide de Jarocho, „en juist dit is mij
zoo'n voldoening , dat ik eindelijk een paard te zien krijg,
dat mijn knol in leelijkheid overtreft." En bij deze woorden
begon hij opnieuw zoo smakelijk te lachen, dat ik- zelf
mijns ondanks pok wel meelachen moest. De krijschende
papegaaien boven onze hoofden werden echter door dit
ongewone gerucht zoo verschrikt, dat zij voor eenige oogen-
blikken verstomden. Toen mijn lachlust eindelijk bedaard
was , vervolgden wij zij aan zij rijdend onzen weg , zonder
verder een -woord te wisselen. Daar de papegaaien hun ver-
foeilijk concert nu spoedig weer begonnen , haalde ik een
mijner pistolen uit, schoot in den blinde in het dichte
gebladerte boven onze hoofden op , en had het onverwachte
geluk, een der schreeuwleelijken naar beneden te zien tuimelen.